26 juni 2017

Laat de mensenwereld zich in cijfers vatten?


Renaud Camus is de man die de term «le grand remplacement» heeft bedacht, en zelfs als politieke doelstelling geduid. Het spreekt dat hij daarna niet meer aan bod kwam in de grote media. Hij werd zelfs vervolgd voor "racisme". Maar niets hielp: zijn «grand remplacement» werd op talloze plaatsen gebruikt ter aanduiding van de massa-immigratie, de gettovorming enzovoort. Tegen een term die blijkbaar tegemoetkomt aan een behoefte valt weinig te beginnen. Maar dat men de man zelf bleef negeren, vond Alain Finkielkraut niet serieus en hij nodigde hem uit in zijn programma Répliques, Daar had Camus een stevige tegenstander aan de demograaf Hervé Le Bras die met cijfers in de hand het helemaal met hem oneens was.
Ik vertaal een fragmentje, waarin Camus een ernstige filosofische twijfel uit:
Ik zou het debat willen opentrekken, en de notie "cijfer" zelf betwisten. Ik ben het grondig eens met de filosoof Olivier Rey [van huis uit wiskundige] die de onderstreept dat cijfers niet bij machte zijn rekenschap te geven van de [menselijke, sociale, beleefde] wereld. De laatste veertig jaar werden wij overspoeld door cijfers. De humane wetenschappen... ik vrees meer en meer dat die een doodlopend straatje zijn, een oxymoron. Er zit een tegenstelling in [de term zelf] en misschien maar gelukkig ook! Een mens zinkt aan alle kanten weg in de cijfers, en die cijfers zijn niet in staat gebleken een beeld te geven van wat er aan de hand is. Niet enkel heeft de sociologie de Franse en Europese bevolking niet gewaarschuwd voor de enorme gebeurtenis die eraan kwam – voor dat gigantische fenomeen dat ik de inwisseling van volk en cultuur noem – maar naarmate dit zich afspeelde heeft ze het ontkend, zij was het ontkenningsmechanisme bij uitstek.



Renaud Camus (10'56"): Alors, j’aurais tendance à élargir le débat si je puis dire, et à contester la notion de chiffre. Moi je suis en accord très profond avec le philosophe Olivier Rey qui souligne l’incapacité du chiffre à rendre compte du monde. Depuis quarante ans nous avons été submergés par les chiffres. Les sciences humaines… je crains de plus en plus que les sciences humaines ne soient une aporie, un oxymore. Il y a une contradi… et tant mieux peut-être! L’homme se dérobe de toutes parts aux chiffres, et les chiffres ont été incapables de rendre compte de ce qui survient. La sociologie, non seulement n’a pas averti la population française et la population européenne de la chose énorme qui se présentait – ce phénomène gigantesque, ce que j’appelle le changement de peuple et de civilisation – mais au fur et à mesure qu’il se déroulait, elle l’a nié, elle a été la dénégation par excellence.

23 juni 2017

Twee ontgoochelingen


Jean-François Paul de Gondi, cardinal de Retz (1613-1679) schreef zoals men dat enkel in zijn eeuw kon. Of nee, in de eeuw daarop kon men dat ook nog, want toen schreef Casanova – geen kardinaal, enkel een abbé. Die twee hebben gemeen dat ze zichzelf niet sparen in hun Memoires: ze vertellen ook over al hun nederlagen en kleine kantjes. Tenminste dat willen ze ons laten geloven, en zeker is dat de geloofwaardigheid van hun succesverhalen daardoor vergroot wordt.
Retz schrijft aan Mme de ***: “Op vraag van u, schrijf ik de geschiedenis van mijn leven, en het plezier dat ik erin vind om u strikt te gehoorzamen, maakt dat ik mezelf zo weinig spaar.”
Casanova zal vertellen over La Charpillon, een zeventienjarig Zwitsers hoertje* dat in Londen werkte en waar hij verliefd op was. Zij ontzegde hem haar gunsten, pikte samen met haar moeder zijn halve fortuin in, en dreef Giacomo bijna tot zelfmoord. Met zijn zakken gevuld met lood stapte hij naar een brug over de Theems, maar onderweg liep hij een bekende tegen het lijf, ze dronken iets en aten iets, en van uitstel kwam afstel.
Bij Retz kunnen we niet echt van een depressie spreken, laat staan van een burn out, maar zeker wel van een dipje:

Mme de La Vergne, de moeder van Mme de Lafayette, was in een tweede huwelijk getrouwd met de chevalier de Sévigné, en mevrouw haar dochter logeerde daar op dat moment, of ze logeert er nog.
Deze Mme de La Vergne was au fond een fatsoenlijke vrouw, maar gretig naar elk laatste weetje, en ingenomen met welk soort intrige ook, zonder uitzondering. Meer dan enige vrouw die ik ooit heb gekend. Wat ik haar die dag voorstelde, omdat ze mij daarbij goede diensten kon bewijzen, was van aard om een heilig boontje meteen af te schrikken. Ik kruidde mijn discours nu met zo’n aantal plechtige verklaringen over mijn goede intenties en integriteit, dat het niet tegen de borst stootte. Maar tegelijk werd de boodschap enkel in ontvangst genomen nadat ik plechtig had beloofd dat ik nooit zou beweren dat zij, van de diensten die ik haar vroeg, meer had begrepen dan wat men in geweten en omwille van de goede, kuise, pure, simpele en heilige vriendschap mocht doen. Ik beloofde alles wat men maar wilde. Men nam mij op mijn woord, en was zelfs bijzonder verheugd zodoende een heel geschikte gelegenheid te hebben gevonden om een eind te stellen aan mijn omgang met Mme de Pommereux, waarvan men aannam dat die niet zo onschuldig was.
De zaak waarvoor ik haar vroeg mij behulpzaam te zijn, moest puur vergeestelijkt, engelachtig van aard zijn, want het ging om Mlle de La Loupe, die u hier eerder al ontmoet hebt onder de naam Mme d’Olonne. Ze was mij enige dagen daarvoor zeer bevallen, in een klein gezelschap dat zich had gevormd in het cabinet van Madame. Ze was mooi, ze was aanvallig door haar voorkomen en haar bescheidenheid. Ze logeerde vlak bij Mme de La Vergne, ze was een intieme vriendin van madame haar dochter. Ze had zelfs een deurtje laten steken waardoor zij elkaar konden ontmoeten zonder het pand uit te hoeven. De genegenheid die de chevalier de Sévigné mij toedroeg, en dat ik in zijn woning thuis was, en wat ik over de behendigheid van zijn vrouw wist, dat alles droeg sterk bij tot mijn goede verwachtingen. Zoals het liep bleken die volslagen ijdel. Want al rukte men mij de ogen niet uit, en kneep men mijn keel niet dicht om me zelfs nog maar het zuchten te beletten, en al merkte ik aan bepaalde gedragingen dat men er geen bewaar tegen had te zien hoe gedwee de paarse keppel was, en hoe schitterend opgemaakt en stralend zij ook was, we bleven altijd op voet van gestrengheid, of beter gezegd van eerbaarheid, wat mijn tong afsneed alhoewel die nogal libertijns was, en dat moet diegenen verwonderen die nooit Mlle de La Loupe hebben gekend, en over Mme d’Olonne hoogstens hebben horen spreken. Deze kleine geschiedenis doet zoals u ziet weinig eer aan mijn verleidingskunsten. En nu zal ik het kort even hebben over de gebeurtenissen in Guyana.

Maar ik neem aan, lezer, dat de gebeurtenissen in Guyana u minder interesseren.

__________
* Marie-Anne-Geneviève Augspurgher (ca.1746-1777).

21 juni 2017

Over politieke propaganda


Met een frisse pint bij de hand een grappige tekst lezen is denk ik het beste dat een mens nu kan doen. Daarom vertaalde ik een klein fragmentje uit de Mémoires van de Cardinal de Retz (uitgesproken rè, zoals de rog, al neigt het soms wat naar de van de muzieknoot), waarin hij ons de herkomst van het woord ‘fronde’ verklaart. Wij kennen die term uit mantel- en degenfilms, en denken dan aan de opstand van de edellieden tegen kardinaal Mazarin, en tegen Anna van Oostenrijk die als voogdes regeerde omdat Lodewijk XIV nog maar vijf jaar oud was toen hij troonopvolger werd. Maar fronde betekent eerst ook ‘slinger’, het werpwapen. Genoeg nu, Retz zelf legt dat beter uit:

Dat woord herinnert me aan wat ik in het eerste boek van dit werk geloof ik vergeten ben u uit te leggen. De etymologie ervan namelijk, die wel niet zo belangrijk is maar toch niet mag ontbreken in een verhaal waarin die term onmogelijk niet meerdere keren moet vallen. Toen het Parlement vergaderingen begon te beleggen over de publieke toestand, verschenen de hertog van Orléans* en Monsieur le Prince** er nogal vaak, zoals u hebt gezien, en soms konden ze de gemoederen daar zelfs wat bedaren. Die rust was er enkel nu en dan. Na een dag of twee liep de temperatuur opnieuw op, en kwam men weer samen met de heftigheid van het eerste uur. Op een dag haalde Bachaumont*** het in zijn hoofd om schertsend te zeggen dat het Parlement deed zoals schooljongens die keitjes in de grachten van Parijs slingeren, uiteenstuiven als ze de burgerwacht zien opdagen en weer samentroepen zodra die weg is. Die vergelijking werd wel grappig gevonden, ze werd ook in liedjes bezongen, en ze leefde in het bijzonder weer op toen de vrede tussen de Koning en het Parlement tot stand was gebracht, en men ze graag gebruikte ter aanduiding van de specifieke factie van oproerigen die zich verzetten tegen een schikking met het hof. Wijzelf gebruikten ze nogal eens, omdat we zagen dat die betiteling de geesten verhitte. Toen voorzitter de Bellièvre**** me zei dat de eerste voorzitter ons in onze afwezigheid voor deze kwinkslag veroordeelde, liet ik hem een manuscript zien van Sint-Aldegonde, een van de vroegste stichters van de Hollandse republiek, waarin opgemerkt werd dat bij het prille begin van de opstand der Nederlanden, Brederode zich erover had opgewonden dat men hen ‘geuzen’ noemde, maar dat de Prins van Oranje, die de ziel van de opstand was, hem schreef dat hij daar waarachtig het belang niet van inzag, dat hij er juist bijzonder mee in zijn schik was en zelfs niet zou nalaten, bij dezen en bij wijze van bevel, hen kleine bedelzakjes op hun mantels te doen borduren. Diezelfde avond besloten wij om hoedenlinten te nemen die min of meer op een slinger geleken. Een vertrouwde koopman vervaardigde voor ons een partij daarvan, en sleet die aan een massa mensen die de finesse in het geheel niet snapten. Wijzelf waren bij de laatsten om ze te dragen, om aanstellerij te vermijden, wat het mysterie helemaal zou hebben bedorven. Het effect van deze bagatel was ongelooflijk. Alles ging mee in die mode, het brood, hoeden, kanten kniestukken, handschoenen, manchetten en waaiertjes en alle versierselen. En wij waren meer in de mode door die zottigheid dan door de zaken waar het echt om ging.

________

* Gaston d’Orléans, broer van Louis XIII, ‘Monsieur’.
** Louis II de Bourbon-Condé, eerst bekend als le duc d'Enghien.
*** François Le Coigneux de Bachaumont.
**** Pompone de Bellièvre.

15 juni 2017

Nederlands is een rare taal


U herinnert zich dat niet meer, lezer, maar in 1980 had niemand een computer in huis en internet was nog onbekend. Als mensen met de snelheid van het licht iets wilden horen over een land aan het andere eind van de wereld, dan waren zij aangewezen op radiozenders, kortegolfzenders. Dat was een ingewikkelde kwestie met golven die teruggekaatst werden door de ionosfeer, en die de hele wereld rondstuiterden als de zonnewind wat meezat. De BBC had Alistair Cooke, met zijn Letter from America, en de Vlamingen hadden Jan-Albert Goris, ook uit Amerika. In de omgekeerde richting ging het ook, en zo konden Nederlanders die in de Nederlandse Antillen of Suriname woonden, of in Nieuw-Guinea, via de korte golf vernemen wat er in hun vaderland aan de hand was.

Karel van het Reve sprak jarenlang tot de landgenoten in de Rijksdelen overzee. Veel van zijn stukjes kunt u vinden in Luisteraars!, in 1995 bij van Oorschot uitgegeven, of anders natuurlijk in het Verzameld Werk. Maar plezieriger nog dan ze zelf lezen, is ze te horen voorlezen, zoals hieronder. Bedenk wel dat de luisteraars in de verre landen niet de kwaliteit hoorden die wij hier aan de zenderkant horen: bij hen ebde die stem op en neer, zoals bij ons De Stem uit Amerika. Dat aanzwellen en wegebben moet u er maar bij denken.

De stukjes van Karel van het Reve waren voor volwassenen bestemd, niet voor kleuters, en dus had hij het soms ook over een wat moeilijker onderwerp, zoals hier op 6 november 1980 over de problemen van mensen die uit de een of andere taal naar ons rare Nederlands vertalen. Die problemen worden vaak onderschat.


5 juni 2017

Hoe zit dat nu met die aangeboren ideeën?


In het begin van het zesde onderhoud (zie vorig stukje) had de graaf enkele duidelijke uitspraken over John Locke gedaan, zoals bijvoorbeeld: «Croyez-moi, ne vous fiez point à Locke qui n’a jamais rien compris à fond.» Verlaat u niet op Locke want die heeft nog nooit iets grondig begrepen.
Locke had geschreven dat er geen aangeboren ideeën bestonden (tabula rasa), en dat kon de graaf (Maistre zelf) natuurlijk niet hebben. Maar de ridder, een jonge officier die graag oorlog voert maar filosofisch niet zo beslagen is als zijn gesprekspartners, stelt al plagend soms een naïeve vraag, en verwacht dan een kort en duidelijk, ‘militair’ antwoord. Hier wilde hij weten wat er nu zo verwerpelijk en verkeerd was aan die opvatting van Locke:

De graaf: Oh u alweer! U heeft nog nooit iets in de weg kunnen staan, maar om op deze discussie in te gaan ben ik beducht, en ik heb daar mijn redenen voor. Maar als u me wat moed wil geven, begin dan alstublieft met te gaan zitten. U hebt een soort onrust die mij onrustig maakt. Ik weet niet wat voor kwelgeest het is die u gedurig steekt, maar dat u geen tien minuten kunt stilzitten is wel zeker. Meestal moeten mijn woorden u achtervolgen zoals de hagel op zoek gaat naar een vogel in volle vlucht. Wat ik u te vertellen heb zou wel eens heel goed op een sermoen kunnen lijken, en dus moet u me zittend aanhoren. – Goed zo. Welnu mijn beste ridder, laat ons als u dat goedvindt in alle openheid beginnen. Zegt u mij eens rechttoe rechtaan: hebt u Locke gelezen?
De ridder: Nee, nooit. Ik heb geen reden om u dat te verbergen. Alleen herinner ik me dat ik hem op een dag heb opengeslagen, op de buiten, op een regendag, maar dat was enkel om mij een houding te geven.
De graaf: Het is niet zo dat ik u altijd wil beknorren: soms hebt u van die rake uitdrukkingen, en inderdaad, dat boek van Locke wordt bijna nooit ter hand genomen en opengeslagen, of het moet zijn om zich een houding te geven. Onder de serieuze werken zijn er geen die nog minder gelezen worden. Een van mijn grote nieuwsgierigheden, maar nooit zal eraan voldaan worden, is dat ik graag zou weten hoeveel mensen in Parijs het van voren naar achteren gelezen hebben, het Essay over de menselijke natuur. Men spreekt erover en men citeert hem veel, en altijd moet je dan iemand op zijn woord geloven. Ikzelf ook, zoals zovele anderen, heb er onverschrokken over gesproken zonder dat ik hem gelezen had. Maar ten langen leste, omdat ik mij het recht wilde verzekeren om er in geweten iets over te zeggen, ik bedoel met diepe en volle kennis van zaken, heb ik het rustig van het eerste tot het laatste woord gelezen, met de pen in de hand,
…maar vijftig was ik al, toen dat me overkwam,*
en ik meen dat ik me in heel mijn leven nooit zo stierlijk heb verveeld. Maar u kent mijn heldhaftigheid in die omstandigheden.
De ridder: En of ik die ken! heb ik u vorig jaar niet in-octavo een dodelijk Duits werk zien lezen over de Apocalyps?** ik herinner me, dat toen ik zag dat u het werk uit had, blakend van leven en gezondheid, ik u gezegd heb dat men u na een dergelijke beproeving mocht vergelijken met een kanon dat een schot met dubbele lading had doorstaan.


______________


* In de noten lezen we dat dit een pastiche is op een vers van zekere Piron uit La Métromanie (1738): «Et j’avais quarante ans quand cela m’arriva.»

** Maistre had in 1809 „Die Siegesgeschichte der christlichen Religion in einer gemeinnützigen Erklärung der Offenbarung Johannis“ van de oogarts Johann Heinrich Jung-Stilling gelezen (in‑8°, Nürnberg, 1799). De graaf verzekert de ridder dat dit werk ontspanningslectuur was naast An Essay Concerning Human Understanding.

Joseph de Maistre, Œuvres. Texte établi, annoté et présenté par Pierre Glaudes; Paris, Éditions Robert Laffont, 2007 (Collection Bouquins).

3 juni 2017

Mijn vooroordelen uitgelegd


Het is bekend dat men een hekel kan hebben aan schrijvers die men nooit gelezen heeft, en waar men zelfs maar heel weinig van afweet. Karel van het Reve zei dat al. Bijvoorbeeld Proust heb ik nooit gelezen (op een aantal bladzijden na, dat wel) en ik weet ook weinig over de man, maar hem lezen zal ik niet.
Nog zo iemand, zij het op een lager échelon, is Daniel Dennett, een Amerikaanse alweter waar ik ook zo goed als niets van afweet, behalve dat hij voortdurend populaire boeken schrijft over het menselijk bewustzijn en zelfbewustzijn. Mijn afkeer van hem is wellicht te verklaren door de aandoenlijk naïeve titel van een van zijn eerste gedrochten: Consciousness Explained. En al is die Dennett dan oud, en al heeft hij groot succes met zijn wijsheden, en al heeft hij een witte baard en ziet hij eruit zoals hij denkt dat een filosoof er moet uitzien, nee, ik zal hem nooit lezen. Bedankt beste Daniel, maar als er onverklaarbare dingen dienen uitgelegd te worden, lees ik liever iemand als Joseph de Maistre (1753-1821), en ik hoop mijn lezers ervan te overtuigen dat ook te doen.


De avonden in Sint-Petersburg
Vijfde onderhoud
[gesprekken tussen een ridder, een graaf en een senator]

De ridder: Hebt u zich gisteren nog wat geamuseerd, waarde senator?
De senator: Bijzonder goed zelfs, toch in de mate dat men zich bij dit soort spektakels kan amuseren. Het vuurwerk was prachtig, en er is niemand bij omgekomen, of minstens niemand van onze soort: wat de muggen en de vogels betreft, heb ik geen beter antwoord dan onze vriend* maar ik heb tijdens het spektakel wel veel aan hen gedacht, en ik had me gisteren voorgenomen jullie van deze gedachten kond te doen. Hoe meer ik erover nadacht, hoe meer ik overtuigd raakte dat natuurverschijnselen voor ons mensen zeer waarschijnlijk overeenkomen met wat menselijke handelingen zijn voor de dieren die er getuigen van zijn. Geen levend wezen kan andere kennisinhouden verwerven, dan die welke zijn wezenlijke aard uitmaken, en die uitsluitend samenhangen met de plek die het in het universum bekleedt. Dat is naar mijn mening een van de vele en onweerlegbare bewijzen voor de aangeboren ideeën, want voor om het even welk denkend wezen geldt dat als er geen ideeën van dat genre bestonden, elk van hen zijn ideeën te danken zou hebben aan toevallige ervaringen, en dan zou hij buiten zijn omschreven gebied kunnen treden en de orde van het universum verstoren. Welnu, dat is wat nooit zal gebeuren. De hond, de aap, de halfweg raisonnabele olifant** zullen bijvoorbeeld een vuur naderen, en net als wij zich behaaglijk eraan warmen; maar nooit zult u hen kunnen leren om een houtblok bij de gloeiende houtskool te duwen, want het vuur is niet hun element. Was het dat wel, dan zou het domein van de mens teniet zijn gedaan. Dat iets één ding is zullen ze wel vatten, maar het begrip éénheid nooit; ze zien de elementen van een getal wel, maar nooit het getal; één driehoek, twee driehoeken, duizend driehoeken, samen of de een na de andere zien ze goed, maar nooit het begrip triangulair. Dat in onze geest bepaalde ideeën eeuwig en altijd samengaan, maakt dat we ze dooreen halen terwijl ze essentieel verschillend zijn. Uw twee ogen vormen een beeld in de mijne; ik neem ze waar en dat leidt mij onmiddellijk tot de associatie met het begrip dualiteit; in werkelijkheid zijn die twee kennisinhouden van totaal verschillende orde, en de ene leidt geenszins tot de andere. En nu ik toch bezig ben, zeg ik zelfs meer: nooit zal ik erin slagen het morele besef van intelligente wezens te begrijpen, of zelfs maar de eenheid van de mensensoort, of van welke andere eenheid van het kenvermogen ook, los van de idee van aangeboren ideeën. Maar laat ons naar de dieren terugkeren. Mijn hond vergezelt mij naar een of ander publiek spektakel, een executie bijvoorbeeld. Vast staat dat hij alles ziet wat ik zie: de massa, de trieste stoet, de gerechtsdienaars, de gewapende macht, het schavot, de patiënt, de beul, kortom alles. Maar wat begrijpt hij van dat alles? Datgene wat hij, hond zijnde, dient te begrijpen: in de massa zal hij me herkennen en mij terugvinden als een of ander accident hem van mij heeft gescheiden, en hij zal dat zo aan boord weten te leggen dat hij niet onder de voeten van de toeschouwers kreupel getrapt wordt. Als de beul zijn arm oplicht zal het dier, als het dichtbij staat, misschien opzij springen, uit schrik dat de slag hem zou treffen; als hij bloed ziet zal hij misschien rillen, maar dan zoals in een slagerij. Zijn kennis beperkt zich daartoe, en voorbij dat punt zullen alle inspanningen van zijn verstandige instructeurs, die daar al in de eeuwen der eeuwen ononderbroken mee bezig zijn, hem nooit brengen. Noties van moraal, verantwoordelijkheid, misdaad, recht, openbare macht enzovoort, die met dit droeve spektakel samenhangen, stellen wat hem betreft niets voor. Al die ideeën omringen hem, raken hem, dringen zich om zo te zeggen aan hem op, maar vergeefs. Want geen enkel teken kan bestaan zonder dat er vooraf al de idee van bestond. Dat elk handelend wezen enkel kan handelen binnen de cirkel die voor hem is getrokken, zonder dat hij daar ooit buiten kan, is een van de meest in het oog springende wetten van de Voorzienigheid in tijdelijke zaken. En zeg nu! hoe zou het gezonde verstand het tegengestelde nog maar kunnen verzinnen? Uitgaand van deze principes, die onbetwistbaar zijn, wie zou dan niet beweren dat een vulkaanuitbarsting, een windhoos, een aardbeving enzovoort voor mij precies dat zijn, wat een executie is voor mijn hond? Van die verschijnselen begrijp ik wat ik ervan moet begrijpen, dat wil zeggen, alles wat in verband staat met mijn aangeboren ideeën, die mijn menszijn uitmaken. De rest blijft een gesloten boek.
De graaf: Niets is plausibeler dan uw idee, mijn goede vriend, of beter gezegd, ik zie niets dat evidenter is dan de manier waarop u de dingen ziet. En nochtans, wat een verschil maakt het niet als men dit vanuit een ander gezichtspunt bekijkt! Uw hond weet niet dat hij niet weet, en u, als intelligent man, u weet dat wel. Wat een buitengewoon privilege is die twijfel niet! Ga op die gedachte in, en u zult verrukt staan! Maar à propos, omdat u die snaar nu toch aangeslagen hebt…

[Enzovoort: 340 verrukkelijk geschreven bladzijden lang, in mijn uitgave: Joseph de Maistre, Œuvres, Éditions Robert Laffont, Collection Bouquins, 2007.]

___________________
* Het vierde gesprek had men moeten afbreken, omdat de senator naar het vuurwerk op de Neva wilde gaan kijken. De graaf had toen geopperd dat vuurwerk gevaarlijk was voor vogels, en dat een grote mensenmassa ook altijd risico’s meebracht.
** How Instinct varies in the grov’lling swine,
Compar’d, half-reas’ning elephant, with thine!
’Twixt that, and Reason, what a nice barrier,
For ever sep’rate, yet for ever near!
    (Alexander Pope, An essay on Man, Epistle I, 221-4)
Hoezeer verschilt niet het instinct van het gemene zwijn,
Vergeleken, half-raisonnabele olifant, bij het uwe!
Tussen dat en de Rede, wat een keurig beschot,
Voor immer afgescheiden en toch voor immer na!

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html